Home


Koor


Dirigent


Repertoire


Concerten


Muziek


Foto's


Contact


Links


Voor leden




Vrouwenkoor Ludi Cantare

Winterliederen

Een compositie van Tom Dicke
op teksten van Ida Gerhardt (1905-1997)

De cyclus is geschreven voor vrouwenkoor, sopraan en harp en heet “Winterliederen”. Als tekst zijn vijf gedichten van Ida Gerhardt gebruikt, te weten:  
I. Zwaluwenliedje (uit: Het Sterreschip, 1979)
II. Rouwtijd (uit: De Ravenveer, 1970)
III. Wintermorgen in Ierland (uit: De Adelaarsvarens, 1988)
IV. Een naam in schelpen (uit: De Zomen van het licht, 1983)
V. Verwachting (uit: Buiten Schot, 1947)

De gemeente De Bilt heeft deze jubileumcompositie mogelijk gemaakt en ons op het spoor van Ida Gerhardt gezet. Zij woonde vanaf 1956 in Bilthoven en heeft les gegeven op de Werkplaats (Kees Boekeschool).


Tom Dicke zelf over zijn compositie:

De cyclus van vijf liederen is geschreven op verzoek van het Bilthovense vrouwenkoor Ludi Cantare, ter gelegenheid van hun 25-jarig jubileum. Naar een suggestie van koor en dirigent is hun gebruikelijke a capella-bezetting aangevuld met een harp als begeleidend instrument. In twee liederen zingt er ook een solo sopraan.

Het idee om teksten van Ida Gerhardt te gebruiken ontstond doordat ik me bij een eerdere opdracht al eens heb ingelezen in haar werk, en deze dichteres heeft ook lange tijd in Bilthoven gewoond en lesgegeven op De Werkplaats (1951-1963).
Haar poëzie spreekt me zeer aan, het heeft een erg heldere kwaliteit, zoals een Hollands landschap dat ook heeft. Vooral die gedichten die in meer of mindere mate de natuur beschrijven spreken tot de verbeelding, en daarbij viel me op dat er meer dan eens een tekst over de winter bij was. Mijn keuze van vijf gedichten is gebaseerd op de extra helderheid van deze teksten; rijke taal, maar niet decadent, eerder bescheiden.

De opbouw van de cyclus is in boogvorm, zowel muzikaal als inhoudelijk. De vijf delen corresponderen elk met een verschillend stadium van de winter: late herfst, inzet vorst, diepe vorst, dooi, vroege lente.
Lied één en twee lopen direct in elkaar over, net zoals lied vier en vijf. Een boogvorm ontstaat doordat het eerste en het laatste deel beide in een majeur-toonsoort staan, en dus opgewekter klinken dan de overige drie liederen, en doordat deze delen respectievelijk over het vertrek en de terugkeer van de vogels gaan. Het tweede lied is triest en vol verlangen; de winter staat voor de deur.
In deel drie is alles stil komen te staan, het klinkt als binnen zitten bij de kachel en uitkijken over stijfbevroren velden.
Deel vier is een parabel en vanwege het verhalende aspect is dit lied ook een stuk langer dan de anderen. Ik heb voor deze tekst gekozen omdat het een typisch Nederlands tafereel tijdens een niet al te strenge winter is, en omdat er eenzelfde verlangen als in de tekst van het tweede deel in voorkomt.
In deel vijf tenslotte komt de bevrijding.
Vanwege de aard van de teksten is een groot deel van de cyclus homofoon gezet, dat wil zeggen dat meestal alle stemmen tegelijk hetzelfde ritme zingen. De harp ondersteunt de zangers en heeft bij ieder lied een naspel.

De Winterliederen gaan in première op zondag 21 maart 2010 om 15.00 uur in de Noorderkerk, Laurillardlaan 6 te Bilthoven.
Deze compositie is tot stand gekomen met steun van Compam.

Tom Dicke, december 2009.